Straatvrees

Ik ben achttien jaar en ga met een aantal vrienden op stap in de stad. We zijn op weg naar ons favoriete grand café. Op vijf minuten afstand van het café wordt er vanaf de overkant van de straat naar ons geroepen. Niemand van ons groepje reageert. Omdat we niet reageren, roepen ze opnieuw. Dit keer is de toon agressief. Ik reageer met de vraag wat er nou eigenlijk is. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Het gaat ineens allemaal heel snel. Ik ren aan de overkant van de straat voor mijn leven. Mijn vier vrienden zijn hem gesmeerd. In de spiegeling van de winkelruit zie ik dat er twee skinheads achter mij aan komen. Als we op volle snelheid rennen, neem ik een besluit. In een fractie van een seconde stop ik heel plotseling en draai me razendsnel om. Ik stomp een van die gasten in z’n gezicht, duw hem op de grond en ren daarna weer zo hard ik kan weg.

Ik raak in lichte paniek als ik constateer dat ik te maken heb met pezige mannen die gewatteerde bomberjacks dragen en kaalgeschoren schedels hebben. Degene die ik tegen de grond gewerkt heb laat zijn maat achter mij aan rennen. Als ik eenmaal de hoek om kan, staan daar ineens meerdere skinheads mij op te wachten.

Het blijft lastig en emotioneel om het vervolg te vertellen, maar het delen helpt mij ook weer bij het verder verwerken van mijn opgedane angsten. Ik word bij mijn haren gepakt en vervolgens slaan ze mijn voorhoofd keer op keer op de motorkap van een auto. Gelukkig lukt het me om mijn rechterarm onder mijn voorhoofd te leggen, waardoor de klappen niet zo hard aankomen.

Dan blijkt een van die gasten een steen in z’n hand te hebben. Hij beukt daarmee op mijn voorhoofd. Ik voel het bloed over mijn hoofd stromen. Ineens hoor ik hondengeblaf en ik schrik me wezenloos: shit, ze gaan die toch niet op mij afsturen? Het blijken politiehonden te zijn. De politiemannen ontzetten mij, en de skinheads slaan op de vlucht. Uit de kerk aan de overkant van de straat komt een priester om mij op te vangen. De ambulance is onderweg.

Eenmaal in de ambulance kom ik wat tot rust en begin te huilen. In het ziekenhuis hechten ze mijn hoofdwond, en als dat klaar is – inmiddels is het drie uur in de ochtend – mag ik naar huis bellen. Mijn lieve vader komt me halen, en als we in de auto zitten, blijven we stil. Het is een wonderbaarlijk ontspannende stilte. Ik hoef me niet te verantwoorden, mijn vader luistert als ik wat vertel. Mijn ouders zijn vooral geschrokken en blij dat ik weer thuis ben gekomen.

Mijn herstel gaat bedroevend traag. Ik genees fysiek heel rap, maar mentaal voel ik me een wrak. Mijn zelfvertrouwen heeft een enorme deuk opgelopen. Mijn moeder helpt mij weer naar buiten te gaan. Kleine stukken wandelen en de volgende dag weer iets verder proberen.

Na verloop van tijd wil de stadsrecherche dat ik aangifte van mishandeling doe en een fotoconfrontatie onderga. Samen met mijn vader meld ik me bij de receptie van het politiehoofdkantoor in de stad. Ik ben nog steeds bont en blauw en loop met een mank been. De receptiemedewerkster vraagt ongeïnteresseerd of de verwondingen zichtbaar zijn. Maar echt op een toon van: daar hebben we weer zo’n zogenaamd slachtoffer. Terwijl we naar de ruimte lopen waar de foto’s worden ingezien, komt er een rechercheur aanlopen die zegt: ‘Ja, die vechtpartijen in de stad. Het worden er steeds meer. Waarom moeten jullie toch altijd vechten?’

Ik kijk mijn vader aan. Na wat foto’s te hebben bekeken en niks gevonden te hebben, besluiten we zo snel mogelijk uit die beklemmende sfeer te komen en niet verder te gaan met die foto’s. Ook in het doen van aangifte heb ik geen vertrouwen meer. De politie doet nog een poging om ons terug te roepen, maar daar trappen mijn vader en ik niet in. Wat een stel zielige, respectloze en vooral vermoeide onwetende mensen. Is dat de normale gang van zaken? Ik voel me intens verdrietig en machteloos.

Een jaar na de gebeurtenis ben ik zover om met mijn moeder helemaal naar de stad te gaan. Wat een hel, maar ik wil echt doorzetten.

De maanden daarna blijven we dat doen, en op zeker moment schrik ik me wezenloos: ik zie een van de skinheads. Ik deel dat met mijn moeder, en we besluiten niets met de situatie te doen. Mijn schrik is snel verdwenen, en we gaan niet naar huis maar blijven in de stad. Wat een overwinning!